Ook de nieuwsbrief van Stelling van Amsterdam ontvangen? Schrijf je in!

1884 - 1896

De aanleg van de aardwerken

Hoewel het tracé van de Stelling van Amsterdam pas in 1894 definitief werd vastgesteld was men het over een aantal locaties van forten eens geworden. Om deze locaties voor te bereiden op de bouw van de forten groef men ter plekke de slappe grond af en vulde het gat op met zand.
Plattegrond Fort bij Velsen
Plattegrond Fort bij Velsen
Op deze zandlaag kwam dan een zanddepot met het gewicht van de toekomstige gebouwen. Zo werd het inklinken van de grond bevorderd. Het wachten was nu nog op het definitieve fortontwerp.
Om in de tussentijd toch iets te verbeteren aan de verdediging van Amsterdam werd in 1892 een plan bedacht om de zandlichamen in staat van verdediging te kunnen brengen. Dit stond bekend als het ‘Kleine Plan’.

Het profiel van de zandlichamen werd zo aangepast dat verdedigbare wallen en open geschutsopstellingen konden worden ingericht. In geval van oorlogsdreiging kon men veldgeschut plaatsen in de aarden beddingen. Zo ontstond een zogenaamd verdedigbaar aardwerk. Men moest daarbij die zandlichamen ongemoeid laten, die specifiek waren bedoeld om de grond voor zware gebouwen te laten inklinken.

Vanaf 1897, toen het standaardontwerp van de forten definitief was vastgesteld, begon men met de bouw van bomvrije gebouwen. Alleen het Fort in de Botshol en het Fort aan de Winkel bleven als verdedigbaar aardwerk bestaan. Met name het Fort in de Botshol biedt nog enigszins een beeld van een verdedigbaar aardwerk. 
Aardwerk Fort in de Botshol
Aardwerk Fort in de Botshol

Een nieuw standaardontwerp

Om tot overeenstemming over het beste fortontwerp te komen stelde de minister van Oorlog in 1887 het Permanent technisch Comité voor artillerie- en geniezaken in. Hierin kregen diverse militaire deskundigen zitting. De keuze van dit Comité voor een standaard fortontwerp ging niet zonder slag of stoot. De meningen liepen uiteen tussen de voorstanders van forten met en zonder zware artillerie en forten met en zonder kostbare pantserkoepels.

Uiteindelijk koos men voor een fortontwerp met een infanteriebezetting en bescheiden artilleristische taken. Zware artillerie (15 cm) zou verspreid worden opgesteld naast en achter de forten. Geschut op de forten werd ondergebracht in twee kleine hefkoepels (6 cm) voor de nabij verdediging en in twee keelkazematten (4 x 10 cm) voor het flankerend vuur.
Situatieplan van het Fort bij IJmuiden
Situatieplan van het Fort bij IJmuiden
Doorsnede en bovenaanzicht Fort bij IJmuiden
Doorsnede en bovenaanzicht Fort bij IJmuiden (1896)

Kustfort aan de monding van het Noordzeekanaal

Vanaf 1876, toen het Noordzeekanaal gereed was, werd over een fort bij IJmuiden aan de monding van het kanaal nagedacht. Het sluizencomplex bij IJmuiden was van strategisch belang. Vanaf hier kon een vijand ongehinderd opstomen naar Amsterdam. Na enkele verschillende ontwerpen koos men voor een fort met een pantsergallerij met vijf kanonnen van 24 cm aan de kustzijde en een pantserkoepel met twee kanonnen van 15 cm aan de kanaalzijde. Het fort kreeg drie bouwlagen, een bijzondere plattegrond in de vorm van een V, met de munitieopslag aan de binnenzijde en de manschappenruimtes aan de buitenzijde. Het werd tussen 1880 en 1887 gebouwd en uitgevoerd in brikkenbeton en metselwerk. Dit beton met een toeslag van bakstenen was een noviteit. Het fort viel onder het bevel van de commandant van de Stelling van Amsterdam, maar het moest indien nodig zelfstandig kunnen worden verdedigd.

Pampus en de verdediging van de Zuiderzeekust

Tussen 1887 en 1895 werd het Fort in de Zuiderzee aan het Pampus gebouwd. Dit pantserfort, gelegen op de ondiepte genaamd het Pampus, nam een bijzonder positie in binnen de Stelling van Amsterdam. Het lag niet voor de hand om een zwaar pantserfort aan te leggen op een plek waar niet genoeg diepgang was voor zware vijandelijke pantserschepen. Op aandringen van het Tweede Kamerlid Jhr. J.W.H. Rutgers van Rozenburg had de politiek in Den Haag toch besloten tot de bouw van dit fort. Het betonnen fort kreeg een ovalen plattegrond met twee pantserkoepels. De koepels werden uitgerust met elk twee 30,5 cm kanonnen. Het hoofdgebouw werd omringd door een droge gracht. Het kunstmatige eiland werd op zijn beurt omringd door een onder het wateroppervlak gelegen dam om een vijandelijke landing te verhinderen, met een opening aan de zuidzijde.

Tijdens de bouw van het Fort aan het Pampus werden er op de kust bij Durgerdam en bij Diemerdam twee kustbatterijen aangelegd. Deze moesten samen met het Fort aan het Pampus de toegang tot Amsterdam vanuit de Zuiderzee afsluiten.

De Kustbatterij bij Diemerdam lag op de plek waar in 1787 een batterij was aangelegd om de Pruisische troepen tegen te houden die de stadhouder Willem V te hulp waren geschoten. In 1889 werden betonnen beddingen voor het 24 cm geschut aangelegd. In 1896 gevolgd door de munitiegebouwen en de remise.
De Kustbatterij op het Vuurtoreneiland bij Durgerdam lag op de plek van Post nummer 9 van Krayenhoff (1809). Hier begon men in 1889 met de geschutsbeddingen en de munitiegebouwen. In 1894 werd het werk afgesloten met de oplevering van een bomvrij gebouw.
Fort in de Zuiderzee aan het Pampus
Fort in de Zuiderzee aan het Pampus

Dijken, dammen, liniewallen en sluizen

Het tracé van de hoofdverdedigingslijn van de Stelling, dat in 1894 definitief was vastgesteld, maakte op veel plaatsen gebruik van bestaande dijken en waterlopen. Het Noordfront volgde ringvaarten en het Noord-Hollands Kanaal, het Westfront volgde De Liede en het Zuidoost front liep langs de veenriviertjes Waver en Winkel. Maar waar dat niet mogelijk was werden speciale liniewallen aangelegd, dwars door polders, die in de eerste plaats als keerkades dienden, maar die ook konden worden gebruikt voor het aanleggen van een gedekte weg.

De langste liniewallen die werden aangelegd liepen door de Haarlemmermeer (Geniedijk) en de Zuidwijkermeer. De beide polders waren nog maar enkele decennia drooggelegd. Beide wallen lopen kaarsrecht met slecht één knik door de polders. Om de waterhuishouding en de scheepvaart in vredestijd niet te hinderen doorsnijden de tochten en vaarten de wallen en zijn op die plekken damsluizen aangelegd. In de Geniedijk door de Haarlemmermeer zijn nevenbatterijen aangelegd.
Een andere opmerkelijk wal ligt ten westen van Spaarndam. Deze verbindt de forten Benoorden Spaarndam en Bezuiden Spaarndam. Ook in deze wal zijn nevenbatterijen aangelegd. Kleinere en lagere wallen zijn aangelegd door de Starnmeer naar het Fort Marken-Binnen, tussen het Fort aan den Ham en de St. Aagtendijk bij het Fort bij Veldhuis, tussen de Batterijen aan het Gein en het Fort bij Nigtevecht. In al deze wallen zijn nevenbatterijen aangelegd.

Op veel plaatsen maakte men gebruik van bestaande dijken zoals de ringdijken van de Beemster en de Zeevang. De Vuurlinie van De Kwakel tot Uithoorn is een oude dijk die werd uitgerust met aarden batterijen. Zelfs middeleeuwse dijken maakten deel uit van de hoofdverdedigingslijn, zoals de St. Aagtendijk, die loopt van Beverwijk tot het Fort bij Veldhuis. Hoewel men liever meer afstand tot het hoge duingebied had gehouden moest men wel gebruik maken van deze oude dijk, omdat die anders door de vijand benut kon worden. In deze dijk werd een nevenbatterij aangelegd en de er achterliggende oude Assendelverzeedijk werd ingericht als tweede linie. Deze werd uitgerust met twee kruitmagazijnen.
Kunstwerken in de Geniedijk bij het Fort bij Aalsmeer
Kunstwerken in de Geniedijk bij het Fort bij Aalsmeer
Inundatie Polder de Ronde Veenen
Inundatie Polder de Ronde Veenen
Vorige                                                                                                                              Volgende
naar boven

Begaanbaar deel van een inundatie in de vorm van een hooggelegen terrein, een weg, (spoor)dijk of een waterweg.

Verdedigingswerk dat een acces verdedigt

Onderstel voor een vuurwapen

Ook wel bolwerk. Vijfhoekige uitbouw van waaruit flankerend vuur kan worden gegeven.

Samenvoeging van een aantal stukken geschut in één organisatie.

Door een aarden wal van de vijand afgeschermde weg waarlangs manschappen en materieel konden worden verplaatst.

Het door metselwerk, beton of grondlaag bestand zijn van een gebouw tegen geschutsvuur.

Beschutte plek van waaruit de verdedigers de vijand kunnen bestoken.

Granaat gevuld met hoogexplosieve springstof.

Een (lage) uitbouw in een gracht van waaruit flankerend vuur kan worden gegeven.

Ook wel schotbalksluis. Tijdelijke waterkering, door het stapelen van balken in uitsparingen, om het water van een inundatie tegen te houden.

Militaire oefening

Zijwaarts gericht vuur.Groot flankement: ondersteunend vuur naar de nevenforten. Klein flankement: vuur dat de eigen omgeving van het verdedigingwerk bestrijkt.

Naar de vijand gericht deel van een verdedigingsweg.

Een onderdeel van het leger dat o.a. als taak heeft om tijdelijke en permanente verdedigingswerken te bouwen. De naam is afgeleid van het Franse woord ingenieur.

(houten) Loods waarin artillerie- en geniemateriaal werd opgeslagen.

Verzamelnaam voor vuurmonden.

Flauw aflopend talud dat buiten de fortgracht ligt en dat vanaf de frontwal met vuur kan worden bestreken.

(Betonnen) onderkomen voor manschappen, in de jaren ’30 onder andere toegevoegd aan het oostfront van de Vesting Holland.

Pantserkoepel die tijdens het geven van vuur omhoog wordt geheven om in rust weer te verzinken en onzichtbaar te worden.

Tabel die is aangebracht naast de geschutsopening om de bedieners van het geschut inzicht te geven in afstanden tot de doelen en de daarmee samenhangende geschutshoeken.

Onderwaterzetting waarmee een vijand op afstand wordt gehouden.

Ook wel inlaatsluis. Sluis die is aangelegd met als doel om water in een bepaald gebied in te laten.

Ruimte die tegen vijandelijk vuur is gedekt en die is voorzien van een schietgat waarachter een vuurwapen wordt opgesteld.

Van de vijand afgekeerde zijde van een verdedigingswerk.

In de forten van de Stelling van Amsterdam is het een kazemat aan de keelzijde van een fort waarmee flankerend vuur op het voorterrein van de buurforten wordt gegeven en van waaruit de keelzijde wordt verdedigd.

Wet van januari 1853, waarin beperkingen waren opgenomen met betrekking tot het bouwen in de nabijheid van verdedigingswerken, de zgn. verboden kringen, om een vrij schootsveld te waarborgen.

Lineair stelsel van samenhangende verdedigingwerken.

Batterij die in de onmiddellijke nabijheid van een verdedigingswerk ligt en die taken uitvoert die vallen onder dit verdedigingswerk.

Waterzuiveringsinrichting die de kwaliteit van het drinkwater verbetert door er ijzer aan te onttrekken.

Stelling waarin terugtrekkende troepen kunnen worden opgenomen.

Batterij die achter pantserplaten is opgesteld.

Fort met één of meerdere gepantserde geschutsopstellingen.

Draaibare gepantserde geschutsopstelling.

Geschut voor frontaal vuur over grote afstand, direct gericht op de vijandelijke posities.

Vuur dat er op is gericht om vijandelijke artillerie uit te schakelen

Eenvoudig (tijdelijk) verdedigingswerk met kleine bezetting.

Ondergrondse, bomvrije verbindingsgang.

Laatste toevluchtsplek voor de verdedigers binnen een verdedigingswerk, dat zelfstandig kan worden verdedigd.

Bomvrije bergplaats voor geschut of ander onmisbaar materieel.

Gedeelte van en terrein dat onder vuur kan worden genomen.

Open binnenruimte van een fort.

Grondplan of plattegrond.

Benaming van het verband dat in 1922 ontstond door de samenvoeging van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, de Stelling van Amsterdam en het zuidelijk rivierenfront.

Wet van 18 april 1874 waarin de vestingwerken werden bepaald die deel uit gingen maken van de landsverdediging.

Aarden ophoging rond een verdedigingswerk, voorzien van een borstwering.