Ook de nieuwsbrief van Stelling van Amsterdam ontvangen? Schrijf je in!

1800 - 1850

Voorlopers van De Stelling

Fort aan de Ossenmarkt
Rond 1800 was Amsterdam omgeven door meren, veengebieden en polders. De stad lag hierdoor tijdens de Bataafse Republiek (1795-1806) relatief goed beschermd tegen vijandelijke aanvallen. Deze kwamen in het verleden uit het zuiden of het oosten, maar in 1799 werd Amsterdam vanuit het noorden bedreigd. 
Linie van Beverwijk
Linie van Beverwijk
In 1799 landde een geallieerde Brits-Russische legermacht op de Noord-Hollandse kust met als doel de Franse en Bataafse troepen te verdrijven. Om de opmars van dit leger te stuiten werden polders tussen de Zuiderzee en het Wijkermeer bij Beverwijk onder water gezet en schansen opgeworpen tussen het Wijkermeer en de Noordzeekust. De vijand werd verdreven, maar door deze invasie was de toon gezet: men moest zich in de toekomst voorbereiden op de verdediging van de hoofdstad op alle fronten.
Redoute sur le Uitweg entre Osdorp et Sloten (nr 11)

Baron Kraijenhoff en de posten rond Amsterdam

Tussen 1805 en 1810 leidde Kolonel-ingenieur Krayenhoff de voorbereiding van inundaties en de aanleg of verbetering van zo’n 50 accesposten rond Amsterdam. Deze accesposten versperden de weg voor een vijand die door de inundaties werd gedwongen om de accessen te gebruiken. Naast dijken en wegen die ondanks de inundaties droog bleven, waren er ook nog natte accessen: bevaarbare plassen en meren, waaronder het Haarlemmermeer en het IJ. Langs de oevers hiervan waren ook posten noodzakelijk. De Posten van Krayenhoff waren uitgevoerd als aardwerken die op tactisch belangrijke plekken werden geprojecteerd. Krayenhoff paste het grondplan van de posten aan de omstandigheden ter plekke aan. De posten zijn als verdedigingslinie rond Amsterdam een duidelijke voorloper van de later STelling van Amsterdam.
De werkzaamheden begonnen tijdens de Bataafse Republiek, maar ze zijn grotendeels ten tijde van het Koninkrijk Holland (1806-1810) uitgevoerd. In 1810 werd het werk beëindigd, toen het Franse Keizerrijk het Nederlandse grondgebied annexeerde. Vanuit het oogpunt van de Franse militairen waren de posten minder noodzakelijk geworden.
Een aantal posten bleef ook na 1815 in het Koninkrijk der Nederlanden gehandhaafd als vestingwerk. Andere raakten door verwaarlozing in verval. Zoals de Batterij aan het Zwet bij Halfweg, die nu nog maar nauwelijks is te herkennen in het landschap. De meeste posten verdwenen helemaal. Maar op een aantal plekken werden bij de aanleg van de Stelling van Amsterdam posten vervangen door nieuwe verdedigingswerken zoals bij Diemerdam, Durgerdam en Spaarndam. Deze plekken waren blijvend van strategisch belang. De Post nr. 8 bij Abcoude is zelfs in ongewijzigde vorm als Batterijen aan het Gein opgenomen in de Stelling van Amsterdam.
Le Fort Diemerdam (nr. 6)
Le Fort Diemerdam (nr. 6)
Poste situé sur la digue dite Hoogendijk a Sparndam (nr. 4)
Poste situé sur la digue dite Hoogendijk a Sparndam (nr. 4)

Water als bondgenoot

Inundaties om het land te verdedigen hebben een lange traditie in Nederland, met name in het westen van het land met zijn laaggelegen veengebieden, meren en polders. Met het doorsteken van dijken of het openzetten van sluizen ontstonden wateroppervlakten. Bewoners van de ondergelopen gebieden, vaak boeren, werden door de inundatie gedupeerd. Hun land stond onder water of hun vee verdronk. Zij probeerden het water weer weg te laten lopen door dijken door te steken.

Bekend uit de vaderlandse geschiedenis zijn het ontzet van Alkmaar en Leiden door inundaties. Ook de rol van de Hollandse Waterlinie tijdens het Rampjaar (1672) staat in het collectieve geheugen gegrift. Water als tijdelijke bondgenoot, als verdedigingsmiddel tegen een vijandelijke overmacht, zo wordt de korte wapenstilstand in onze strijd tegen de altijd aanwezige vijand, het water, voorgesteld.
De inundaties kwamen in het verleden tot stand met weinig controle over de diepte en de omvang. Ze werden vaak in grote haast uitgevoerd met de vijand al bijna in zicht.
Dat veranderde vanaf het begin van de 19e eeuw onder invloed van de Franse militaire ingenieurs. Vanaf dat moment werden  ‘Bataafse’ militairen opgeleid tot ingenieur. Zij hielden zich bezig met de voorbereidingen van inundaties in vredestijd. Het systeem van inunderen werd verfijnd. Men trof voorbereidingen door het aanleggen van dijken, dammen, waterinlaten en sluizen. Inundaties werden in kommen onderverdeeld. In elke kom mocht het water niet hoger komen dan 40 of 50 cm. Dit was te ondiep voor een boot en te diep voor mens en paard. Die moesten oppassen niet in sloten of vaarten terecht te komen die onder het wateroppervlak onzichtbaar waren.

Wat niet veranderde was de onvrede van de bewoners van ondergelopen gebieden. Vooral die gebieden die met zeewater werden geïnundeerd waren lange tijd voor de landbouw onbruikbaar. Onder de gedupeerde bewoners waren de pioniers van polders die midden 19e eeuw nog maar net droog waren gevallen. Met de totstandkoming van de inundatiewet in 1896 kwam de regering de bewoners tegemoet. Deze wet, die tot op dit moment van kracht is, regelt de schadeloosstelling van bewoners en gebruikers binnen het inundatiegebied. 
Ontwerp voor Vesting Weesp met torenfort
Ontwerp voor Vesting Weesp met torenfort

De Nieuwe Hollandse Waterlinie

De Hollandse Waterlinie liep van Muiden via woerden naar Gorkom. De linie kreeg na 1672 een min of meer permanent karakter door de aanleg van versterkingen op de accessen. Al in de Franse tijd ontstond het plan om ook de stad Utrecht binnen de waterlinie te omsluiten. Dit plan werd pas na de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815 uitgevoerd. Deze waterlinie kreeg de naam Nieuwe Hollandse Waterlinie. De linie verdedigde het westen van Nederland tegen een aanval uit het oosten. De Waal -  en in het verlengde daarvan de Boven-Merwede - vormde het zuidelijk front van de linie. Water was het belangrijkste weermiddel. Gedurende de periode 1815-1870 werden er tientallen forten gebouwd om de accessen te verdedigen. Bijzondere aandacht kregen de forten rondom de stad Utrecht, omdat het terrein ten oosten van de stad moeilijk was te inunderen. Het noordelijk deel van de linie volgde de loop van de Vecht. Hier lagen de vestingen Muiden en Weesp en de forten Uitermeer en Hinderdam. Deze werden aan het eind van de 19de en het begin van de 20ste eeuw onder bevel gesteld van de commandant van de Stelling van Amsterdam. 
Plattegrond Fort bij Heemstede
Plattegrond Fort bij Heemstede
Plattegrond Fort aan de Liede
Plattegrond Fort aan de Liede

Haarlemmermeer

In 1840 maakte men een begin met het aanleggen van de ringdijk en het graven van de ringvaart als voorbereiding op de drooglegging van het Haarlemmermeer. Het meer dat in de volksmond bekend stond als de ‘Waterwolf’ was voor de steden in de directe omgeving door de afkalving van de oevers een bedreiging. De drooglegging van het meer maakte hieraan een einde en het leverde vele hectaren vruchtbare landbouwgrond op. Maar voor de verdediging van de hoofdstad vormde ze wel een probleem. De polder bood een vijandelijk leger directe toegang tot Amsterdam. Daarom werden al tijdens de droogmaking forten gebouwd op plekken vanwaar de hoofdwegen van de toekomstige polder onder vuur konden worden genomen: Fort bij Heemstede, Fort aan de Liede, Fort aan de Nieuwe Meer en Fort aan het Schiphol. De forten zijn tussen 1843 en 1846 aangelegd. De polder viel in 1852 droog. Het Fort aan de Nieuwe Meer en het Fort bij Heemstede zijn niet voltooid. Het Fort aan het Schiphol en het Fort aan de Liede kregen een bomvrije gemetselde ronde toren. Fort bij Schiphol is in 1934 gesloopt. De sleutel van het fort is nu nog te zien in het Historisch Museum Haarlemmermeer.
Aanzicht en doorsnede Torenfort Uitermeer (1845)
Aanzicht en doorsnede Torenfort Uitermeer (1845)

Torenforten

De forten rond de Haarlemmermeer waren ontworpen als ronde gemetselde, bomvrije geschutstorens. Zij waren op dat moment de modernste verdedigingswerken binnen de oude kring van posten rond Amsterdam. Omdat de bestaande posten van generaal Krayenhoff in verval waren geraakt, deed zijn zoon in 1849 een voorstel om de posten opnieuw onder profiel te brengen en een aantal te voorzien van gemetselde torens en wachthuizen. Dit is het eerste voorstel  voor het inrichten van permanente verdedigingswerken rond de hoofdstad als aanvulling op de reeds bestaande forten rond de Haarlemmermeer. Het plan werd niet uitgevoerd. Wel werd de Nieuwe Hollandse Waterlinie tussen 1840 en 1860 versterkt met gemetselde torenforten en wachthuizen. In het noordelijk deel van de linie kregen de vestingen Muiden en Weesp en het Fort Uitermeer een gemetselde toren. Omdat de torens uiteindelijk te kwetsbaar bleken voor  vijandelijk vuur werd de bovenste verdieping verwijderd en werden ze beschermd door een ronde aarden wal. 
Ontwerp voor de Linie van Amsterdam
Ontwerp voor de Linie van Amsterdam
Vorige                                                                                                                              Volgende
naar boven

Begaanbaar deel van een inundatie in de vorm van een hooggelegen terrein, een weg, (spoor)dijk of een waterweg.

Verdedigingswerk dat een acces verdedigt

Onderstel voor een vuurwapen

Ook wel bolwerk. Vijfhoekige uitbouw van waaruit flankerend vuur kan worden gegeven.

Samenvoeging van een aantal stukken geschut in één organisatie.

Door een aarden wal van de vijand afgeschermde weg waarlangs manschappen en materieel konden worden verplaatst.

Het door metselwerk, beton of grondlaag bestand zijn van een gebouw tegen geschutsvuur.

Beschutte plek van waaruit de verdedigers de vijand kunnen bestoken.

Granaat gevuld met hoogexplosieve springstof.

Een (lage) uitbouw in een gracht van waaruit flankerend vuur kan worden gegeven.

Ook wel schotbalksluis. Tijdelijke waterkering, door het stapelen van balken in uitsparingen, om het water van een inundatie tegen te houden.

Militaire oefening

Zijwaarts gericht vuur.Groot flankement: ondersteunend vuur naar de nevenforten. Klein flankement: vuur dat de eigen omgeving van het verdedigingwerk bestrijkt.

Naar de vijand gericht deel van een verdedigingsweg.

Een onderdeel van het leger dat o.a. als taak heeft om tijdelijke en permanente verdedigingswerken te bouwen. De naam is afgeleid van het Franse woord ingenieur.

(houten) Loods waarin artillerie- en geniemateriaal werd opgeslagen.

Verzamelnaam voor vuurmonden.

Flauw aflopend talud dat buiten de fortgracht ligt en dat vanaf de frontwal met vuur kan worden bestreken.

(Betonnen) onderkomen voor manschappen, in de jaren ’30 onder andere toegevoegd aan het oostfront van de Vesting Holland.

Pantserkoepel die tijdens het geven van vuur omhoog wordt geheven om in rust weer te verzinken en onzichtbaar te worden.

Tabel die is aangebracht naast de geschutsopening om de bedieners van het geschut inzicht te geven in afstanden tot de doelen en de daarmee samenhangende geschutshoeken.

Onderwaterzetting waarmee een vijand op afstand wordt gehouden.

Ook wel inlaatsluis. Sluis die is aangelegd met als doel om water in een bepaald gebied in te laten.

Ruimte die tegen vijandelijk vuur is gedekt en die is voorzien van een schietgat waarachter een vuurwapen wordt opgesteld.

Van de vijand afgekeerde zijde van een verdedigingswerk.

In de forten van de Stelling van Amsterdam is het een kazemat aan de keelzijde van een fort waarmee flankerend vuur op het voorterrein van de buurforten wordt gegeven en van waaruit de keelzijde wordt verdedigd.

Wet van januari 1853, waarin beperkingen waren opgenomen met betrekking tot het bouwen in de nabijheid van verdedigingswerken, de zgn. verboden kringen, om een vrij schootsveld te waarborgen.

Lineair stelsel van samenhangende verdedigingwerken.

Batterij die in de onmiddellijke nabijheid van een verdedigingswerk ligt en die taken uitvoert die vallen onder dit verdedigingswerk.

Waterzuiveringsinrichting die de kwaliteit van het drinkwater verbetert door er ijzer aan te onttrekken.

Stelling waarin terugtrekkende troepen kunnen worden opgenomen.

Batterij die achter pantserplaten is opgesteld.

Fort met één of meerdere gepantserde geschutsopstellingen.

Draaibare gepantserde geschutsopstelling.

Geschut voor frontaal vuur over grote afstand, direct gericht op de vijandelijke posities.

Vuur dat er op is gericht om vijandelijke artillerie uit te schakelen

Eenvoudig (tijdelijk) verdedigingswerk met kleine bezetting.

Ondergrondse, bomvrije verbindingsgang.

Laatste toevluchtsplek voor de verdedigers binnen een verdedigingswerk, dat zelfstandig kan worden verdedigd.

Bomvrije bergplaats voor geschut of ander onmisbaar materieel.

Gedeelte van en terrein dat onder vuur kan worden genomen.

Open binnenruimte van een fort.

Grondplan of plattegrond.

Benaming van het verband dat in 1922 ontstond door de samenvoeging van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, de Stelling van Amsterdam en het zuidelijk rivierenfront.

Wet van 18 april 1874 waarin de vestingwerken werden bepaald die deel uit gingen maken van de landsverdediging.

Aarden ophoging rond een verdedigingswerk, voorzien van een borstwering.